ze konden ons bijna raken, de vrome
stenen eeuwen van de kathedraal waarnaast
wij ons te waken legden in die pluchen kamer
met zoveel duvel in onze donder
dat wij de sprong dan wilden wagen
de beddensprei rook naar bier en schrale
dromen in het spiegelend plafond weerkaatst
zag ik onze witte lijven in een vreemd gevecht
gewikkeld, dat geen van ons nog winnen wou
lichtreclame knipoogde tegen muren
en de kathedraal, de kathedraal
bracht met elke slag die
nagalmt in mijn sleets geheugen
de morgen dichter, waarop wij in het
grauw elkaar als blinden lazen
op elke vingertop een traag verhaal
tot in het hongerige ochtendlicht
ik opvloog als een rode vogel
hoog boven de stad die spoedig
zou ontwaken
Kleine belofte aan een stad nooit bezocht
jij zult mijn laatste minnaar zijn, zegt ze lacht een uitroepteken in het blauw boven daken van een stad nooit bezocht
ik hoef je klaterfonteinen vol onvervulde glinstermunten niet, het schuimend gister, zegt ze, je protspaleizen van dode koninginnen en hun troubadour, wijs mij
zegt ze, de cloaca van je angsten, neem me mee naar je riolen, de plek waar je papavers bloeien, waar het stil is voor de storm; toon mij al je stukgeslagen ruiten
jaag me, zegt ze met je lauwe kustwind doorheen je dwarse straten. ik zal er zijn en naar je kijken
naar jou kijken, zegt ze, en je tonen wat mij verwondde
Frouke Arns